Van kantoorbaan tot tijdloze soulicoon: het muzikale verhaal van Jaki Graham

Jaki Graham werd op 15 september 1956 geboren in Birmingham en groeide uit tot een van de meest herkenbare en succesvolle Britse soul- en r&b-zangeressen van de jaren tachtig.

Ze is sinds 1976 getrouwd met haar jeugdliefde Tony Ormsby, en samen kregen ze een dochter en een zoon.

Hoewel ze op school elk jaar meedeed aan de zangwedstrijd, groeide ze niet op met muziek en had ze er nooit bij stilgestaan dat ze er ooit haar beroep van zou kunnen maken.

Ze had dan ook geen formele zangopleiding gehad en dat vond ze toen jammer.

Toch begon haar muzikale reis al als tiener bij gospelkoren en lokale bands, waaronder de funkformatie Ferrari, waar haar krachtige en warme stemgeluid al snel opviel.

Toen ze de schoolbanken verliet, sloot ze zich aan bij een bandje.

Niet veel later tekende ze een contract bij een platenlabel, al was dat in eerste instantie niet voor solowerk, maar vooral om backing vocals in te zingen voor anderen.

Al dat studiowerk vormde dan ook een waardevolle leerschool.

Ze was op de meest uiteenlopende platen te horen, en ook al bleef ze op de hoes meestal anoniem, achter de schermen bouwde ze gestaag aan haar reputatie.

Via deze weg kwam ze ook in contact met de mannen van UB40. Die jongens kwamen namelijk eveneens uit Birmingham en waren gewoon goede vrienden van haar geworden.

Ze leerde van hen veel over het vak en het maken van muziek.

In het begin, voordat haar dochter Natalie in 1981 werd geboren, kon ze maar niet besluiten om haar vaste kantoorbaan op te geven.

Haar schema was dan ook slopend: overdag werkte ze op kantoor, om vijf uur ’s middags werd ze opgehaald voor een optreden, om vier uur ’s nachts kwam ze thuis en om zeven uur stond ze weer op om naar haar werk te gaan.

Uiteindelijk gaf ze in 1983 haar baan als secretaresse definitief op voor een muzikale carrière, want toen haar dochter er eenmaal was, ging dat loodzware ritme dan ook niet meer samen.

Zingen, een kantoorbaan en een kind bleek te veel van het goede en ze moest dan ook een keuze maken.

Later, in 1993, werd het gezin nog uitgebreid met de geboorte van haar zoon Ryan.

Onder leiding van producer Derek Bramble vond ze in 1983 haar eigen kenmerkende mix van energieke pop, dansbare disco en eigentijdse Britfunk.

Grote successen leverde dat niet meteen op, want haar eerste twee singles, ‘Heaven Knows’ en ‘Once More with Feeling’, flopten.

Leerzaam was het wel, en het zorgde voor een stevig fundament.

Haar echte doorbraak voor het grote publiek kwam pas in mei 1985.

Graham vestigde haar naam eerst met een reeks sterke duetten met de Amerikaanse soulzanger David Grant, waaronder de singles ‘Could It Be I’m Falling in Love’ en ‘Mated’, die beide hoog eindigden in de Britse en Europese hitlijsten.

Ook solo bewees ze haar talent met nummers als ‘Round and Around’ en ‘Set Me Free’, waarmee ze een vaste waarde werd op de radio en in discotheken.

Ondanks al die successen voelde ze zich toen helemaal niet als een ster.

Ze voelde zichzelf helemaal niet beroemd en zag zichzelf vooral als een gewoon meisje dat af en toe leuke jongens ontmoette om mee op te treden.

Ze kon er dan ook maar moeilijk aan wennen dat mensen haar ineens als iemand belangrijks zagen.

Ze genoot met volle teugen van de enthousiaste reacties van haar publiek, al schreef ze dat succes toen vooral toe aan puur geluk.

Ze had nooit bewust naar de schijnwerpers gezocht en bleef gewoon haar nuchtere zelf.

Want in de allereerste plaats bleef ze altijd moeder. Haar dochter Natalie, over wie ze destijds al veel sprak in interviews, ging zo vaak mogelijk mee naar optredens.

Zodra Jaki de deur uitging voor een optreden, vroeg Natalie steevast of ze mee mocht.

Had het meisje vrij van school, dan nam ze haar met veel plezier mee.

Tijdens een van die tripjes had Natalie zich van top tot teen mogen opmaken, waardoor de jonge meid er bij nader inzien meer als een popster uitzag dan haar nuchtere moeder.

Die hechte band is er altijd gebleven; inmiddels werken moeder en dochter nauw samen en treedt Natalie op als haar manager.

In het najaar van 1986 verscheen haar tweede studioalbum, ‘Breaking Away’, dat in het Verenigd Koninkrijk meteen aansloeg en werd bekroond met een zilveren plaat.

De titelsong, opnieuw geproduceerd door Bramble, groeide meteen uit tot een van haar grootste handelsmerken.

Het nummer combineerde een strakke jaren-tachtig-productie met pakkende synthesizers en een opzwepende baslijn, maar het waren vooral Grahams warme soulstem en moeiteloze uithalen die de dansplaat diepgang en oprechtheid gaven.

Met een veertiende plaats in de Britse hitlijst in augustus 1986 vestigde Graham bovendien een bijzonder record in het Guinness Book of Records, als eerste zwarte zangeres uit het Verenigd Koninkrijk die zes opeenvolgende top-twintig hits wist te scoren.

De tekst over het doorbreken van routines en het loskomen uit beperkingen sprak dan ook een breed publiek aan.

Op het Europese vasteland kende de single een wisselend onthaal.

Waar ‘Breaking Away’ in Vlaanderen de hitparade misliep, was het nummer in Nederland goed voor een bescheiden tweeëntwintigste plaats in de Top 40, met een zevenenveertigste positie voor het album in de Album Top 100.

In Aziatische landen werd het nummer daarentegen onverwacht een gigantische megahit.

Ze droomde toen van een lange, duurzame loopbaan en spiegelde zich aan grootheden als Diana Ross en Gladys Knight.

Voor hun stijl, souplesse en vakmanschap had ze diepe bewondering: na al die jaren klonken ze nog altijd vlekkeloos.

Tegelijkertijd realiseerde ze zich dat zo’n stemconditie niet vanzelf kwam en dat een blijvende carrière vroeg om een ijzeren discipline en dagelijkse oefening.

Haar muzikale loopbaan kreeg in de jaren negentig een krachtige impuls toen haar vertolking van Chaka Khans ‘Ain’t Nobody’ naar de top van de Amerikaanse dance-hitlijst schoot.

De single leverde haar in 1994 gouden platen op in de Verenigde Staten, Australië en Japan.

Haar gelijktijdig verschenen album ‘Real Life’ ontketende met name in Japan een ware rage, waar in minder dan een maand tijd ruim 800.000 exemplaren over de toonbank vlogen.

In de jaren daarna bleef ze onvermoeibaar optreden en experimenteren met genres als jazz en hedendaagse soul, terwijl ze op festivals trouw bleef aan haar klassiekers uit de jaren tachtig.

Daarnaast maakte ze indruk in de reizende Motown-musical Dancing in the Streets, deelde ze haar muziekliefde als radiopresentatrice bij de BBC en toerde ze jarenlang als vaste gastzangeres met Michael McDonald, de legendarische stem van The Doobie Brothers, die haar publiekelijk prees als een van de beste vocalisten ter wereld.

In haar eigen regio werd haar invloed eveneens groots gevierd met een eredoctoraat en een bronzen ster op de Walk of Stars in Birmingham.

Met haar aanstekelijke enthousiasme en krachtige stemgeluid heeft Jaki Graham een blijvende en gerespecteerde stempel gedrukt op de Britse soul- en popgeschiedenis.

De inmiddels 70-jarige zangeres is nog altijd actief in de muziekindustrie.

Samen met Clark Datchler, de 62-jarige voorman van Johnny Hates Jazz bekend van klassiekers als ‘Shattered Dreams’, ‘Turn Back the Clock’ en ‘I Don’t Want to Be a Hero’, bracht ze op 21 augustus 2026 de single ‘Soul Believer’ uit.

Bij de groep, waar ook vast bandlid en producer Mike Nocito nog deel van uitmaakt, viel onlangs een grote leegte: toetsenist en medeoprichter Calvin Hayes overleed in juli 2026 op 63-jarige leeftijd.

Voor Datchler heeft Nederland bovendien een heel vertrouwd tintje.

In 1990 trouwde hij met presentatrice Simone Walraven, met wie de vonk ooit oversloeg op de set van Countdown.

Walraven, die deze maand zestig kaarsjes uitblies, koestert nog altijd dierbare herinneringen aan die beginjaren.

Ook na de echtscheiding in 2009 bleef het contact hecht en vriendschappelijk.

Momenteel leidt ze luisteraars door de avondspits op NPO Radio 5: met De Avondstart brengt ze bij Omroep MAX van maandag tot en met donderdag tussen 18:00 en 20:00 uur een rijke collectie pop, soul, funk en country.

Wegens dit aanhoudende succes kondigde de omroep aan dat Simone vanaf januari 2027 een prominente middagshow krijgt, te beluisteren tussen 15:00 en 18:00 uur.

125 jaar geleden, van volkse Druifsteeg tot burgerlijke Baudeloostraat in Gent

Rond het jaar 1900 onderging de noordzijde van de Vrijdagmarkt een ingrijpende verandering.

Waar ooit een wirwar van smalle steegjes en arbeiderswoningen lag, kwam een brede doorgang richting de voormalige Baudelo-abdij aan de Ottogracht en de achterliggende Baudelokaai.

Het bekendste straatje dat hiervoor moest wijken, was de oude Druifsteeg, later Struivelstraat genoemd.

In 1900 werd deze steeg definitief afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe, verbrede Baudeloostraat.

De aanleg betekende een heuse kaalslag in de volkswijk.

De socialisten stemden indertijd in met deze sanering en de uitdrijving van de arbeidersbevolking.

Toch liep de heropbouw niet meteen storm; de nieuwe straat raakte maar moeizaam volgebouwd.

De bouwgronden waren simpelweg te duur geworden voor arbeidershuisjes.

In de plaats kwamen zelfstandigen, bedienden en renteniers wonen, al werden heel wat panden ook gekocht als opbrengsteigendom om te verhuren.

Zo veranderde het straatbeeld in een wijk voor de gegoede kleine burgerij.

Pas na de Eerste Wereldoorlog raakte de straat geleidelijk aan volledig volgebouwd.

De meest bepalende bouwmeester van de straat was de Gentse architect Jacob Gustaaf Semey (1864-1935).

Hij ontwierp de hele huizenrij vanaf Vrijdagmarkt 17 tot en met Baudeloostraat 19.

Zijn ontwerpen sloten perfect aan bij de wensen van de toenmalige burgerij, die via hun woning graag pronkte met rijkdom en een intellectuele, artistieke smaak.

Semey hanteerde een gevarieerde eclectische stijl en voorzag zijn gevels van volkse spreuken en sculpturen van Gentse of Vlaamse historische figuren, net zoals hij dat deed aan de Vlaamsekaai.

Het was voor hem meteen een manier om zijn eigen liberale overtuiging en Vlaamse sympathieën te tonen.

Wie vandaag door de straat wandelt, ziet trouwens een boeiende mix aan bouwstijlen.

Naast veertien neoclassicistische gevels zijn in de verderop gelegen panden ook duidelijke invloeden te ontdekken van art nouveau, art deco en de expressieve baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School (foto’s met dank aan Claude Faseur)

Vandaag staan we stil bij het overlijden van de Franse actrice Viviane Romance, inmiddels 35 jaar geleden.

Viviane Romance, geboren als Pauline Ronacher Ortmans, begon haar artistieke loopbaan al op zeer jonge leeftijd.

Als veertienjarige poseerde ze voor tijdschriften en postkaarten, waarna ze al snel op de planken belandde als danseres.

In 1928 maakte ze deel uit van het ensemble van de beroemde Moulin Rouge, waar ze onder andere het publiek vermaakte met de Franse cancan.

Haar veelzijdigheid bouwde ze verder uit via optredens in operettes en boulevardtheaters.

De echte omslag naar het witte doek kwam nadat ze in 1930 werd gekroond tot Miss Paris.

Vanaf 1931 verscheen ze in kleine bijrollen voor regisseurs zoals Marcel L’Herbier, Maurice Tourneur en Fritz Lang.

Haar rol als onderhouden vrouw in de musicalfilm ‘Ciboulette’ uit 1933 gaf al een voorproefje van het type personage dat haar handelsmerk zou worden.

Na haar opvallende verschijning in de tragikomedie ‘Princesse Tam Tam’ in 1935, kruiste cineast Julien Duvivier haar pad.

Hij gaf haar eerst een stevige rol in het drama ‘La Bandera’ en bezorgde haar vervolgens haar grote doorbraak in de klassieker ‘La Belle Équipe’ uit 1936.

Daarin zette ze een overtuigende femme fatale neer die een wig drijft tussen de personages van Charles Vanel en Jean Gabin.

Ook haar privéleven kende de nodige wendingen.

Romance trad driemaal in het huwelijk: eerst met acteur Georges Flamant, met wie ze in elf films samenspeelde, daarna met acteur en zanger Clément Duhour, en ten slotte met Jean Josipovici.

Op 25 september 1991 kwam er in Nice een einde aan haar veelbewogen leven, toen ze op 79-jarige leeftijd overleed aan kanker.

Betty Grable: het Hollywood-icoon dat het hart van Neil Sedaka veroverde

Het nummer Betty Grable van Neil Sedaka verscheen in 1974 op zijn Britse studioalbum Laughter in the Rain.

Sedaka schreef het nummer samen met zijn vertrouwde muzikale partner, tekstschrijver Howard Greenfield, met wie hij al sinds hun tienerjaren talloze klassiekers had afgeleverd.

In een interview legde Sedaka destijds uit waarom hij het nummer heeft geschreven.

Hij zag haar op een avond voorbijkomen in een oude film op televisie en besloot daarom dit eerbetoon te schrijven voor de vrouw op wie hij al zo lang verliefd was.

Het nummer is een nostalgische ode aan zijn jeugd en zijn bewondering voor haar, wat duidelijk blijkt uit de songtekst.

Sedaka zingt over hoe hij als klein kind elke zaterdagmiddag naar de bioscoop ging. Terwijl de andere kinderen voor Mickey Mouse en Donald Duck kwamen, zat hij aan het scherm gekluisterd voor zijn grote filmidool.

Hij zingt dat zijn hele muur vol hing met foto’s van haar, waaronder veel pin-upfoto’s, wat een directe verwijzing is naar haar status als de bekendste Amerikaanse pin-upgirl tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het nummer vangt precies dat gevoel van nostalgie: de overgang van jongensdromen naar volwassenheid, waarin de glans van zo’n filmster een gekoesterde herinnering blijft.

Elizabeth Ruth Grable werd geboren op 18 december 1916 in St. Louis, Missouri, en groeide uit tot een van de allergrootste kaskrakers van de Amerikaanse filmindustrie.

Gedreven door haar moeder volgde ze van jongs af aan zang-, dans- en acteerlessen.

Al op dertienjarige leeftijd wist ze met een vervalste leeftijd haar eerste rolletjes als koormeisje in Hollywood te bemachtigen.

Gedurende de jaren dertig werkte ze zich gestaag op via bijrollen in diverse studiofilms en speelde ze op Broadway in de succesvolle musical ‘Du Barry Was a Lady’.

Haar definitieve doorbraak volgde rond 1940 bij filmmaatschappij 20th Century Fox, waar ze werd binnengehaald als opvolgster van Alice Faye.

Met haar frisse verschijning, blonde lokken en aanstekelijke energie in kleurrijke technicolor-musicals zoals ‘Down Argentine Way’, ‘Moon Over Miami’ en ‘Springtime in the Rockies’ veroverde ze het grote publiek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bereikte haar populariteit een ongekend hoogtepunt.

De befaamde foto die fotograaf Frank Powolny in 1943 van haar maakte, staand in badpak en over haar schouder lachend, werd de meest verspreide pin-up van de hele oorlogsperiode.

Miljoenen Amerikaanse soldaten hingen de foto op in kazernes, scheepsruimen en cockpitruimtes.

Haar benen werden zo beroemd dat filmstudio Fox ze liet verzekeren bij Lloyd’s van Londen voor het toen duizelingwekkende bedrag van één miljoen dollar.

In de jaren veertig en vroege jaren vijftig behoorde Grable steevast tot de best verdienende filmsterren van Hollywood.

Ze schitterde in kaskrakers zoals ‘Mother Wore Tights’ en speelde in 1953 naast Marilyn Monroe en Lauren Bacall in de succesvolle komedie ‘How to Marry a Millionaire’.

Toen de hoogtijdagen van de traditionele filmmusicals medio jaren vijftig voorbij waren, verlegde ze haar werkterrein met veel succes naar theaterpodia, nachtclubs en Broadwayproducties zoals ‘Hello, Dolly!’.

Betty Grable overleed op 2 juli 1973 op 56-jarige leeftijd aan longkanker in Santa Monica, Californië.

Slechts een jaar na haar overlijden brachten Neil Sedaka en Howard Greenfield met hun lied een muzikaal saluut aan deze iconische ster die een hele generatie wist te betoveren.

John Bonham: de onvervangbare hartslag van Led Zeppelin

John Henry Bonham, geboren op 31 mei 1948 in Redditch, Worcestershire, geldt als een van de meest invloedrijke drummers uit de geschiedenis van de rockmuziek.

Als de drijvende kracht achter Led Zeppelin wist hij ongekende kracht te combineren met een verfijnde groove, dynamiek en een feilloos gevoel voor swing.

Zijn unieke status werd decennia later, in 2019, nog eens onderstreept toen het gerenommeerde muziektijdschrift Rolling Stone hem uitriep tot de beste drummer in de geschiedenis van de popmuziek.

Zijn muzikale reis begon al op vijfjarige leeftijd, toen hij ritmes oefende op koffieblikken en voorraadbussen.

Pas rond zijn vijftiende kreeg hij van zijn vader zijn eerste echte drumstel.

Zonder ooit formele drumlessen te volgen, ontwikkelde hij op het gehoor een volstrekt unieke stijl, beïnvloed door Amerikaanse jazz- en soulmuzikanten.

Voordat hij wereldwijd doorbrak, speelde hij in diverse lokale bands, waaronder Terry Web and the Spiders en Band of Joy, waar hij zanger Robert Plant leerde kennen.

Toen gitarist Jimmy Page in 1968 de Yardbirds nieuw leven wilde inblazen en de basis legde voor Led Zeppelin, haalde Plant zijn kameraad Bonham over om mee te doen.

Met Led Zeppelin verlegde Bonham de grenzen van wat een rockdrummer kon doen.

Hij volgde niet louter de basgitaar, maar speelde ritmische contrapunten tegen de gitaarriffs van Page.

Op 25 september 1980 kwam er echter een tragisch en abrupt einde aan zijn leven.

De 32-jarige drummer stikte in zijn eigen braaksel in het huis van bandgenoot Jimmy Page in Londen, na in de 24 uur daarvoor ruim een liter wodka te hebben gedronken.

Uit de officiële autopsie bleek dat er, naast de alcohol, geen andere drugs in het spel waren.

Zijn overlijden betekende direct het definitieve einde van Led Zeppelin.

De overgebleven leden, gitarist Jimmy Page, bassist John Paul Jones en zanger Robert Plant, besloten unaniem om de groep op te heffen vanuit de diepe overtuiging dat Bonham volstrekt onvervangbaar was.

Pas vanaf eind jaren tachtig kwamen de drie bandleden weer incidenteel samen voor speciale live-optredens.

Tijdens deze zeldzame reünies, zoals het historische concert in de Londense O2 Arena in 2007, nam zijn zoon Jason Bonham de plaats in achter het drumstel, waarmee hij de muzikale erfenis van zijn vader met verve eerde.

Een bijzonder en emotioneel eerbetoon vond plaats in 2012 tijdens de uitreiking van de prestigieuze Kennedy Center Honors. De zussen Ann en Nancy Wilson van de Amerikaanse band Heart brachten daar, in aanwezigheid van de overlevende leden van Led Zeppelin en toenmalig president Barack Obama en first lady Michelle Obama, een memorabele versie van Stairway to Heaven.

Ondersteund door een strijkersorkest en een koor nam Jason Bonham ook bij deze gelegenheid met grote precisie de drumpartij voor zijn rekening.

Rond het leven en het legendarische spel van John Bonham zijn door de jaren heen tal van opmerkelijke weetjes en feiten bewaard gebleven:

Zijn bekende bijnaam Bonzo dankte hij aan zijn enorme fysieke kracht achter het drumstel en aan een gelijknamig Brits stripfiguur, het ondeugende hondje Bonzo the Dog.

Tijdens live-uitvoeringen van zijn instrumentale solonummer Moby Dick gooide Bonham regelmatig zijn drumstokken het publiek in om vervolgens minutenlang met zijn blote handen op de snaredrum, pauken en conga’s verder te spelen, net zolang tot zijn knokkels soms bloedden.

Zijn intro op het nummer ‘When the Levee Breaks’, opgenomen in de traphal van het landhuis Headley Grange met behulp van twee hangende microfoons en een natuurlijk galmeffect, groeide uit tot een van de meest gesampelde drumritmes in de muziekgeschiedenis, onder meer veelvuldig gebruikt binnen de vroege hiphopscene.

In tegenstelling tot veel tijdgenoten die dubbele bassdrums gebruikten, speelde hij vrijwel altijd met een enkel bassdrumpedaal.

Zijn rechtervoet was echter zo razendsnel en krachtig dat toehoorders en collega-muzikanten er vaak heilig van overtuigd waren dat hij twee bassdrums bespeelde.

Hoewel hij hield van snelheid, roem en de adrenaline op het podium, leed hij tijdens tournees aan zware heimwee.

Buiten de spotlights trok hij zich het liefst terug op zijn boerderij The Old Hyde Farm in Worcestershire, waar hij Hereford-runderen fokte en aan oude auto’s en tractoren sleutelde.

Van fabrieksarbeider tot wereldster: het bewogen levensverhaal van George Baker

Hans Bouwens werd geboren als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse vader die als soldaat deel uitmaakte van het Duitse leger dat Nederland bezet hield.

Nadat zijn vader aan het eind van de oorlog sneuvelde, werd Hans door zijn grootouders opgevoed in de Zaanstreek, meer bepaald in Wormerveer.

Hij ging al vroeg aan de slag en werkte onder andere als kaartverkoper in de plaatselijke bioscoop van Krommenie.

Nadat hij op zijn 14de de school verliet, was hij ook werkzaam als leerling-lithograaf, losser in de haven en arbeider in een limonadefabriek.

In 1967 solliciteerde hij als zanger bij de Zaanse band Soul Invention.

De groep, opgericht in de Zaanstreek met hem als frontman, bestond aanvankelijk uit Hans Bouwens op gitaar en leadzang, George Thé op gitaar, Jan Hop op drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast op basgitaar.

Nadat direct succes uitbleef, besloten ze amper een jaar later hun naam te veranderen in de George Baker Selection.

In interviews en zijn biografie hield hij het steevast bij de verklaring dat hij eind jaren zestig een goedkoop, destijds populair detectiveromannetje las, een zogenaamde pulproman of een kiosk-pocketboekje.

De hoofdpersoon in dat specifieke verhaal heette George Baker.

Bouwens koos dit pseudoniem puur omdat het internationaal, zakelijk en krachtig klonk, wat perfect paste bij de Engelstalige pop- en soulmuziek die hij wilde uitbrengen.

Het boekje zelf was vermoedelijk een van de vele duizenden titels uit die tijd die anoniem of onder pseudoniem in kioskreeksen verschenen, waardoor de exacte titel in de geschiedenis verloren is gegaan.

Vanaf circa 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser, totdat in 1971 Vissers plaats werd ingenomen door Cor Veerman, die in 1974 weer werd opgevolgd door Martin Schoen.

In datzelfde jaar, 1974, werd de groep uitgebreid met zangeres Lida Bond, die vanaf 1982 werd vervangen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.

Het nummer Little Green Bag van de George Baker Selection behoort tot de meest herkenbare en tijdloze klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.

De aanstekelijke baslijn en het soulvolle ritme zorgden ervoor dat het nummer niet alleen bij de release in 1969 de wereld veroverde, maar decennia later dankzij Hollywood opnieuw een iconische status kreeg.

Het nummer werd geschreven door zanger en componist Hans Bouwens samen met multi-instrumentalist Jan Visser.

Oorspronkelijk bedacht Baker de titel Little Greenback, een rechtstreekse verwijzing naar het Amerikaanse dollarbiljet en het thema geld.

Bij het drukken van de singlehoes sloop er echter een opvallende fout in: de platenmaatschappij noteerde de titel verkeerd als Little Green Bag.

Baker besloot de fout te laten voor wat het was en paste de titel officieel aan.

Deze administratieve vergissing gaf het nummer onbedoeld een mysterieus tintje, waardoor luisteraars decennialang dachten dat de tekst ging over een groen zakje marihuana.

Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbaar basriff, ingespeeld door Jan Visser.

Dit riff zet meteen vanaf de eerste seconde de toon voor een mix van rhythm and blues, soul en nederpop.

De karakteristieke, krachtige zang van Baker, gecombineerd met opzwepende percussie en blazersaccenten, gaf het geheel een internationaal geluid dat destijds ongekend fris klonk voor een debuutsingle van een band uit de Zaanstreek.

Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer snel omhoog in de hitlijsten.

In Nederland bereikte de single de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en diverse andere Europese landen werd het een groot succes.

De echte verrassing volgde in 1970, toen Little Green Bag de oversteek maakte naar de Verenigde Staten en de zestiende plaats bereikte in de prestigieuze Billboard Hot 100, een uitzonderlijke prestatie voor een debuterende Nederlandse formatie.

Bouwens en Visser ontvingen in 1970 van Conamus de Zilveren Harp voor het nummer, en de groep kreeg op 2 juli van datzelfde jaar een gouden plaat ervoor.

Het nummer leek na de jaren zeventig een gouden herinnering uit het verleden te blijven, totdat filmregisseur Quentin Tarantino het in 1992 herontdekte.

Tarantino koos Little Green Bag als openingsnummer voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.

De scène waarin een groep gangsters in strakke zwarte pakken en zonnebrillen in slow motion over straat loopt terwijl de baslijn van het nummer weerklinkt, werd op slag een van de beroemdste filmsequenties aller tijden.

Dankzij Reservoir Dogs kreeg Little Green Bag een gigantische tweede jeugd.

Het nummer werd heruitgebracht op single, behaalde opnieuw hoge noteringen in Europese hitlijsten en werd ontdekt door een compleet nieuwe generatie muziekliefhebbers.

Het succes in de film zorgde er tevens voor dat het nummer overal ter wereld opdook in reclamespots, televisieseries en compilatiealbums.

50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)

In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)

George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)

55 jaar geleden, Creedence Clearwater Revival in het Sportpaleis

In de vroege jaren zeventig stond Creedence Clearwater Revival op een absoluut hoogtepunt.

Dat was ook te merken tijdens hun indrukwekkende Europese tournee van 4 tot 28 september 1971.

De Californische band reisde toen met een eigen privévliegtuig, een luxe die destijds alleen voor de allergrootste wereldsterren was weggelegd. Van die tournee verscheen later het livealbum Live in Europe.

Eerder speelden ze al in Nederland, op 10 september 1971 in het Concertgebouw in Amsterdam.

Op 24 september 1971 landde Creedence Clearwater Revival met hun privéjet op de luchthaven van Deurne.

Ondanks hun status maakten de muzikanten in België op een toegankelijke manier contact met de aanwezige fans.

Tijdens de paspoortcontrole praatte een douanebeambte, zelf muzikant in een lokaal orkestje, graag even met hen.

Hij vond hun muziek wel goed, maar zwoer dat The Shadows voor hem nog altijd bovenaan stonden.

John Fogerty, de onbetwiste leider en creatieve motor van de groep, werd vergezeld door zijn vaste bandleden Douglas Ray Clifford op drums en Stuart Cook op basgitaar.

Fogerty kreeg handtekeningenverzoeken en bewonderende blikken van een paar meisjes.

Met een cassetterecorder om zijn nek stapte hij samen met de rest van de groep in een taxi.

Tussen de hectische optredens door hechtten de groepsleden veel waarde aan rust en ontspanning.

Muziek luisteren via koptelefoons was voor hen een essentiële manier om de batterijen op te laden en te ontsnappen aan de constante druk van het toeren.

Achter de schermen werd de band ondersteund door die vaste ploeg medewerkers, die ervoor zorgden dat de logistiek rond de internationale concerten vlekkeloos verliep.

Onderweg, van concert naar concert, deden ze volgens hen vooral één ding: relaxen.

Ze kwamen net uit Stockholm, waar de band volgens hen een geweldig onthaal had gekregen.

In het Century Hotel in Antwerpen vertelde Fogerty tijdens de persvoorstelling hoe de groepsnaam tot stand was gekomen.

In 1959, toen hij ongeveer veertien was, startte hij met Doug Clifford en Stu Cook een bluesgroepje.

Fogerty speelde piano, Cook gitaar en Clifford drums.

Ze heetten toen The Blue Velvets en traden op schoolfeesten op.

Een manager veranderde hun naam in The Golliwogs en stak hen in rare hoedjes.

Daar kregen ze al snel genoeg van. Ze namen afscheid van die manager en begonnen in 1969 opnieuw. Toms broer Tom Fogerty speelde intussen ook gitaar mee.

‘Creedence’ stond voor hun geloof in het nieuwe plan. ‘Clearwater’ kwam van een tv-reclame voor Olympia-bier, met ‘ongelooflijk helder water’. ‘Revival’ verwees naar de herstart.

Eerst speelden ze covers als ‘Screamin” van Jay Hawkins en ‘Suzie Q’ van Dale Hawkins.

Daarna schreven ze zelf hits als Proud Mary en Bad Moon Rising.

Het optreden in het Antwerpse Sportpaleis was een krachtige vertoning van hun kenmerkende stijl: rauwe rock met heldere, herkenbare melodieën.

De zaal was tot de nok toe gevuld met een enthousiaste menigte die de Amerikaanse beatgroep met open armen ontving.

Toen de omroeper ‘straight from California, the Creedence Clearwater Revival’ aankondigde, barstte het los.

De geluidsinstallatie was keihard. Het gehoor van sommigen was pas twee dagen later weer normaal.

De setlist van die avond was: ‘Born on the Bayou’, ‘Green River’, ‘It Came Out of the Sky’, ‘Door to Door’, ‘Travelin’ Band’, ‘Fortunate Son’, ‘Commotion’, ‘Lodi’, ‘Bad Moon Rising’, ‘Proud Mary’, ‘Up Around the Bend’ en ‘Hey Tonight’.

Het hoogtepunt van de show waren ‘Proud Mary’ en ‘Bad Moon Rising’.

Het optreden eindigde abrupt, zonder toegiften, alleen met ‘Good night, we thank you, we love you all.’

Niet iedereen was tevreden. Sommige jonge bezoekers vonden het ticket van 150 frank, omgerekend naar de koopkracht van vandaag ongeveer 25 euro, te duur.

Ze hadden de band moderner verwacht. Volgens hen was hun tijd voorbij.

Na afloop zei de groep dat ze naar Stockholm terugkeerden.

Ze hadden daar eerder in een hotel gelogeerd dat op een kasteel in de bossen leek, met kandelaars en lakeien. Daar wilden ze opnieuw ongestoord relaxen.

Het verblijf markeerde een gedenkwaardig moment in de Belgische muziekgeschiedenis.

De ongekende populariteit van de band uit de Bay Area werd die dag in Antwerpen tastbaar

45 jaar geleden, reclame voor Vespa Si van het merk Piaggio

De Vespa Si uit 1981 behoort tot de allereerste generatie van dit model.

Eind 1978 werd de bromfiets geïntroduceerd om geleidelijk de Piaggio Boxer op te volgen.

Tegen 1981 draaide de productie in de befaamde Piaggio-fabriek in het Toscaanse Pontedera op volle toeren, waarbij het model zich onderscheidde door een puur en minimalistisch design dat typerend was voor de vroege jaren tachtig.

Op de thuismarkt en in de officiële fabriekscatalogus stond de brommer simpelweg bekend als de Piaggio Sì.

Omdat de Vespa-scooters destijds echter wereldwijd razend populair waren, besloten importeurs in onder meer Vlaanderen, Nederland en Duitsland om de naam Vespa toe te voegen en het model als Vespa Si in de markt te zetten.

Deze slimme marketingstrategie en hetzelfde betrouwbare motorblok werden door Piaggio eveneens ingezet voor andere iconische tijdgenoten, zoals de Ciao, Bravo, Boxer en de Gilera Citta.

40 jaar geleden, Images en het nachtelijke succes van Les démons de minuit

Images werd halverwege de jaren tachtig opgericht in Toulouse en bestond uit zanger, bassist Jean-Louis Pujade en synthesizerspeler Frédéric Locci.

Mario Ramsamy, oorspronkelijk afkomstig van het eiland Mauritius, bracht een herkenbare zangstijl mee die perfect aansloot bij de opkomende synthpop van dat decennium.

Met hun aanstekelijke mix van melodieuze pop en elektronische dansritmes wist het trio al snel de aandacht te trekken van een breed publiek.

Hun grote doorbraak kwam in 1986 met de release van ‘Les démons de minuit’.

De melodie en het arrangement werden gecomponeerd door Christophe Després en Jean-Louis Pujade, terwijl de tekst werd geschreven door Richard Seff, die ook verantwoordelijk was voor de productie.

Het nummer groeide uit tot een ongekende zomerhit in Frankrijk en domineerde wekenlang de hoogste regionen van de officiële hitlijsten.

De combinatie van een meeslepende baslijn, weelderige synthesizers en het dramatische thema van nachtelijke verleidingen en slapeloze verlangens sloeg enorm aan.

Inhoudelijk draait het lied om de eenzaamheid en verleidingen die toeslaan wanneer de klok middernacht slaat en de nacht de gedachten overneemt.

Ook de bijbehorende videoclip zorgde bij het verschijnen in 1986 voor de nodige ophef.

De video werd opgenomen in Toulouse, in de historische kerk Saint-Pierre des Chartreux.

Het visuele verhaal borduurt direct voort op het thema van nachtelijke verleidingen en volgt een priester die worstelt met zijn geloften terwijl hij ten prooi valt aan vleselijke verleidingen en innerlijke demonen.

Deze provocerende beelden leidden in 1987 zelfs tot een officiële veroordeling door de Franse katholieke kerk wegens het gebrek aan respect voor het geloof.

Hoewel een specifieke regisseur in officiële credits zelden met naam wordt genoemd, stond de artistieke leiding onder supervisie van Richard Seff, en het lichte schandaalsfeertje rond de clip droeg alleen maar bij aan de nieuwsgierigheid en de enorme populariteit van het nummer.

Een opvallend detail rond het ontstaan van het nummer is de rol van Christophe Després.

Hij was een van de oorspronkelijke drijvende krachten achter de compositie, maar verliet het project al snel na de opname om samen met zangeres Sabine Paturel en later met Pacifique aan nieuwe muzikale avonturen te werken.

Desondanks werd Les démons de minuit een blijvend monument in de Franse popgeschiedenis.

Het nummer stond meer dan dertig weken genoteerd in de Franse Top 50, waarvan maar liefst dertien weken onafgebroken op de eerste plaats.

Ook buiten Frankrijk kende het nummer succes, al waren de verschillen in de Lage Landen opmerkelijk.

In september bereikte het nummer in de Nationale Belgische Top 50 de eerste plaats, wat vooral te danken was aan de enorme populariteit in Wallonië.

In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en bereikte de single de vierentwintigste plaats in de BRT Top 30.

In Nederland sloeg de Franstalige synthpophit nauwelijks aan en wist het nummer zelfs de Tipparade niet te bereiken.

Na dit gigantische succes bracht de band Images nog verschillende andere populaire singles uit, waaronder ‘Corps à corps’ en ‘Ma maîtresse’, waarmee ze bewezen dat ze geen eendagsvlieg waren.

Aan het einde van de jaren negentig sloeg de groep de handen ineen met Émile Wandelmer, de voormalige frontman van Gold, een andere populaire band uit Toulouse.

Onder de naam Émile et Images beleefden ze een opmerkelijke comeback en brachten ze nostalgische verzamelalbums uit die opnieuw voor volle zalen en platina verkoopcijfers zorgden.

Tot op de dag van vandaag geldt (Les démons de minuit( als een absolute klassieker op Franstalige dansvloeren en retrofeesten.

Het Institut supérieur de brasserie en de wieg van de Gentse brouwerswetenschap

Het Institut supérieur de brasserie in Gent, opgericht aan het einde van de negentiende eeuw, speelde een baanbrekende rol in de professionalisering van de Belgische en internationale brouwerswereld.

Rond 1886–1889 werd in Gent gestart met dit Franstalig brouwersonderwijs.

De school was gevestigd in de rue du Lac in Gent, wat de toenmalige Franstalige benaming was voor de Meersstraat, die vandaag de Bonifantenstraat heet.

In een tijd waarin het brouwproces geleidelijk verschoof van ambachtelijke traditie naar wetenschappelijke precisie, trok de school studenten aan uit heel Europa om de microbiologie en chemie achter het bierbrouwen op academisch niveau te bestuderen.

Studenten kregen er een diepgaande technische opleiding in biochemie, fermentatieprocessen en kwaliteitscontrole, geïnspireerd door de baanbrekende ontdekkingen van wetenschappers zoals Louis Pasteur en Emil Christian Hansen.

De school was nauw verbonden met de bloeiende industriële sector in Vlaanderen en de Gentse brouwersvereniging, en fungeerde als een smeltkroes voor jonge brouwers, ingenieurs en zonen van brouwersfamilies uit binnen- en buitenland.

Door theorie te combineren met praktijkonderwijs in moderne laboratoria en proefbrouwerijen, legde het instituut de basis voor de moderne brouwtechnologie.

De invloed van de Gentse opleiding reikte ver, want oud-studenten van dit instituut stonden in 1925 zelfs aan de wieg van de oprichting van de bekende Brusselse brouwersschool Institut Meurice.

De school veranderde door de decennia heen meermaals van naam en structuur, zoals het Hoger Rijksinstituut voor Chemie en Voedingsindustrieën.

In de loop van de twintigste eeuw werd de opleiding verder geïntegreerd in het bredere hoger onderwijsnetwerk van Gent, waar de traditie van brouw- en fermentatiewetenschappen tot op de dag van vandaag voortleeft binnen universitaire en hogeschoolopleidingen.

Het historische instituut blijft daarmee een fundamentele schakel in de rijke academische en industriële biergeschiedenis van Gent.